Meer leven langs de stuw

15 februari 2024

Rijkswaterstaat heeft de planstudieopdracht ‘Visconnectiviteit in de Maas’ gegund aan ingenieursbureau Royal HaskoningDHV. Daarmee gaat gewerkt worden aan het verminderen van de impact die de zeven stuwen hebben op het waterleven, aanvullend aan de al langer lopende andere maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW).

De stuwen hebben de stroming op een groot stuk van de rivier sterk ingeperkt. Alleen bij hoogwater mag de Maas helemaal vrij afstromen, want dan worden de stuwen gestreken. De stuw- en sluiscomplexen zijn onmisbaar voor de scheepvaart; zonder die infrastructuur zou de rivier een groot deel van het jaar te ondiep zijn voor schepen. De keerzijde is dat het waterpeil tussen de stuwen in – stuwpanden genoemd – nu door de mens op een vast peil wordt gehouden. Zeker bij lage wateraanvoer vanuit Frankrijk en Wallonië staat het water er nagenoeg stil. Dat is niet gunstig voor de inheemse flora en fauna die afhankelijk zijn van stroming voor hun voortbestaan.

Verbindingsader

De Maas is namelijk een belangrijke verbindingsader voor een aantal vissoorten zoals de zalm, zeeforel, paling en rivierprik. De zalm, zeeforel en rivierprik leggen hun eieren in de grindbanken in de Limburgse zijbeken (zoals de Geul, Roer, Swalm) en trekken op jonge leeftijd naar de zee om verder op te groeien. Als ze volwassen zijn, trekken ze weer terug naar de beken waar ze geboren zijn om opnieuw aan de voortplanting te beginnen. Een aantal van deze soorten dienen we te beschermen in het kader van Natura 2000.

Verval

Bij de stuwen is het verval het grootst. Dat is daarom de plek waar de beste kansen liggen om weer stromend water terug te brengen. De stuwen zelf moeten in stand blijven. De meest voor de hand liggende optie is er een nevengeul omheen te leggen, in de vorm van een beekje. Belfeld en Grave zijn de locaties waar de meeste winst valt te behalen. Sambeek ook, maar daar lopen via een ander werkpakket al plannen voor een stuw-passerende nevengeul, onder de naam Geul Ossenkamp. En bij stuw Roermond is in 2013 reeds een beekje om de stuw heen gegraven.

Vismigratie

Vissen kunnen zonder hulp niet voorbij de stuwen komen, of raken beschadigd als ze dit proberen. Dat probleem doet zich voor zowel stroomopwaarts richting het binnenland als stroomafwaarts richting Noordzee. Nogal wat vissoorten hebben tijdens hun levensloop verschillende wateren nodig om op te groeien of zich voort te planten. Ze migreren tussen zoet en zout water, en de grote rivieren zoals de Maas vormen daarvoor hun hoofdroute. Dat geldt bijvoorbeeld voor zalm, aal en zeeforel.

Vistrappen

Al langere tijd liggen er bij alle zeven stuwen vistrappen, expliciet bedoeld voor stroomopwaartse migratie. Ze zijn gericht op zowel de sterke zwemmers, bijvoorbeeld zalm, als zwakkere zwemmers, zoals driedoornige stekelbaars. Uit inspecties en metingen is echter gebleken dat de vistrappen niet optimaal werken. Per locatie heeft dat verschillende oorzaken. Sediment blokkeert bijvoorbeeld de instroomopening, de hoeveelheid water in de passage beweegt onvoldoende mee met de waterstand in de Maas, begroeiing belemmert de zwemruimte of de lokstroom laat te wensen over; hierdoor weten de vissen de ingang niet goed te vinden. In de planstudie wordt voor elke vistrap een verbeterplan opgesteld.

Planstudie gestart

De nieuwe opdracht ‘Visconnectiviteit in de Maas’ begint met een onderzoeks- en ontwerpfase, ofwel de planstudie. Samengevat gaat het om het opstellen van verbeterplannen voor de bestaande vistrappen en het ontwerpen van een extra vistrap bij stuw Linne of Lith en een nevengeul bij stuw Belfeld of Grave.


Zie ook

Foto: Rijkswaterstaat - Flying Eye