Mensen zonder thuis

6 april 2020

Tijdens een van mijn dagelijkse wandelingen tussen thuis en het Gouvernement, kwam ik er een tegen. Een mens. Veel zie ik er momenteel niet op straat. De meesten houden zich namelijk keurig aan de oproep om vooral thuis te blijven. Maar dit mens kon niet thuis blijven. Sterker nog: het was een mens van wie we ook in niet-Corona tijden bijna automatisch afstand houden van minimaal 1,5 meter. Van wie we ons al ongevraagd letterlijk ‘sociaal distantiëren’. Dit mens – deze man – is namelijk dakloos. Hij heeft geen huis om in thuis te blijven; geen flesje desinfecterende alcohol bij zijn voordeur staan; laat staan dat hij plek heeft om triviale zaken te hamsteren…

Zijn thuis is in feite de straat waarop hij eigenlijk niet mag verblijven; niet zijn maten mag ontmoeten; laat staan mensen aanspreken om een daklozenkrant te verkopen. En als hij voor de nacht een dak boven zijn hoofd vindt, dan is dat een dak dat hij met veel lotgenoten moet delen. Op een slaapzaal waar bedden vaak niet eens op 1,5 meter van elkaar staan. Met veel te veel mensen in een enkele ruimte moet slapen dus; mensen die juist vanwege de manier waarop ze hun leven moeten lijden ook nog eens extra kwetsbaar zijn voor besmetting.

Gelukkig zie ik dat inloophuizen en opvangorganisaties als het Leger des Heils hun uiterste best doen om hem en zijn lotgenoten nu een beter onderdak te bieden. In Roermond en Sittard zijn extra woonunits geplaatst; in Venlo en Weert is een flexibele opvang voor daklozen in reguliere woningen opgezet; en in Maastricht wordt nu een voormalige gevangenis in gereedheid gebracht voor deze mensen zonder thuis. En wil het inrichten van opvang van deze groep in normale tijden nogal eens op weerstand stuiten, nu hebben buurtgenoten er direct alle begrip voor. Corona maakt de mens ook milder, flexibeler en vindingrijker. Eigenschappen waarvan ik eigenlijk hoop dat ze blijven, als Corona weer verdwijnt.

Ik hoop dat όόk voor anderen in onze samenleving die niet voor 100 procent kunnen meedraaien, zoals asielzoekers. Ook zij leven kort op elkaar in asielzoekerscentra; vaak met hele gezinnen op één kamer. Dan in quarantaine moeten – zoals in verschillende AZC’s uit voorzorg is gebeurd – is dan toch nog wel een graadje zwaarder dan jezelf moeten opsluiten in je eigen huis. Toch kon het natuurlijk niet uitblijven. Het AZC in Maastricht kende vorige week de eerste besmette asielzoeker, een zogenaamde alleenreizende minderjarige asielzoeker. Hij deelde de kamer met twee anderen. Een tweetal dat nu in quarantaine is, maar hij – een jongen die hij in feite is – ligt nu letterlijk moederziel alleen op de Intensive Care. Zonder een liefhebbende familie in de buurt. Hoe alleen zal hij zich voelen? Wie staat er straks voor hem klaar?

Ondertussen mogen we best respect hebben voor diegenen die nú al voor hen klaar staan in de daklozenopvang en de asielcentra: juist omdat zij nu werken voor de meest kwetsbaren die zo extra vatbaar zijn voor dat vreselijke virus. Ook voor hen ben ik blij dat grote charitatieve fondsen zoals het Kansfonds zich nu extra inzetten om deze zwakkeren door de crisis heen te helpen en bovendien de media nu speciale aandacht heeft voor deze medemensen.

Maar daarnaast hoop ik vooral dat als we elkaar straks – na deze crisis – weer mogen aanraken; ook onze voormalige sociale afstanden een beetje minder strak hanteren. De voorheen ‘onaanraakbaren’ toch minder als zodanig beschouwen; en hen meer zien zoals ze zijn: mensen die minder fortuin in het leven hadden dan de meesten van ons.

De man die ik tegenkwam op straat, was blij dat er weer eens iemand een praatje met hem maakte. Ik gaf hem wat geld voor koffie. Pas toen ik doorliep, besefte ik dat hij dat nu vrijwel nergens kon halen…

Zorg goed voor elkaar, en daarmee voor u zelf, zoals wij in Limburg gewoon zijn.

Theo Bovens, Gouverneur