Financieel toezicht op afstand bij Maastricht en bij vijf Heuvellandgemeenten

Gepubliceerd op 3 juli 2018 (om 13:59)

De Provincie Limburg heeft in 2018 de financiële toestand van de gemeente Maastricht en de Heuvellandgemeenten (Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul), met een verdiepingsonderzoek in kaart gebracht. Dat gebeurt bij elke Limburgse gemeente eens in de vier jaar. Op basis van de onderzoeken concludeert de Provincie Limburg als toezichthouder dat zij hun financiële huishouding dusdanig op orde hebben dat alle zes gemeenten tot en met 2021 de meest lichte vorm van toezicht, het repressieve toezicht krijgen.

Voor Gulpen-Wittem en Meerssen is er wel een voorwaarde verbonden aan de conclusie (oranje licht). In verband met een fors tekort in de begroting 2018 is voor Gulpen-Wittem als voorwaarde gesteld dat de begroting 2019 en ten minste de jaarschijven 2020 en 2021 van de meerjarenraming 2020-2022 een structureel evenwicht of overschot laten zien. De gemeente Meerssen heeft twee voorwaarden meegekregen. Bij de eerste voorwaarde moet eind 2018 het beleidsplan voor wegen worden vastgesteld. Dan moet ook inzichtelijk worden gemaakt hoe het achterstallig onderhoud binnen vier jaar wordt ingelopen. Bij de tweede voorwaarde moeten, uiterlijk bij de begroting 2020,

de lasten voor onderhoud en investeringen van alle gemeenschapshuizen, sportaccommodaties en overige gemeentelijke gebouwen verwerkt worden conform de dan vastgestelde plannen. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt hoe het achterstallig onderhoud binnen vier jaar wordt ingelopen.

Positief financieel effect

De rapporten zijn gebaseerd op de begroting 2018, maar relevante informatie tot en met april 2018 is meegenomen. Daarom hebben Gedeputeerde Staten (GS) bij de beoordeling of de gemeenten meerjarig repressief toezicht kunnen krijgen ook de maartcirculaire 2018 meegenomen. Met de ondertekening van het Inter Bestuurlijk Programma heeft het kabinet besloten extra accressen (middelen) als gevolg van het regeerakkoord te verwerken in de maartcirculaire 2018. Het kabinet, koepels en vele andere maatschappelijke partijen zijn momenteel het Inter Bestuurlijk Programma aan het uitwerken. In principe moet elke partij zijn deel van de lasten van die uitwerkingen zelf dragen. Zolang daar nog aan gewerkt wordt, is onzeker wat dat gaat inhouden. Gedeputeerde Staten gaan er vooralsnog wel vanuit dat er per saldo een positief financieel effect is. Het positief financieel effect kan gebruikt worden om een aantal risico’s dat uit de onderzoeken naar voren is gekomen, aan te pakken. Bij alle gemeenten is het sociaal domein nog steeds een ontwikkeling die risico’s voor de gemeenten meebrengt.

Waakzaam

Gedeputeerde Van Rijnsbergen: “Het algemene financiële beeld van de begroting 2018 en de meerjarenraming 2019-2021 maakt duidelijk dat alle gemeenten te maken hebben met risico’s die vooral verband houden met de decentralisaties met forse kortingen. Verder zijn er risico’s die verband houden met het onderhoud aan de kapitaalgoederen. Dit is ook het beeld dat ik heb geconstateerd bij de financieel verdiepingsonderzoeken in 2016 en 2017 bij de gemeenten in Parkstad, Westelijke Mijnstreek en Midden-Limburg.”

Systematiek

Sinds 2006 beoordeelt de Provincie elke gemeente één keer in de vier jaar met een verdiepingsonderzoek. De financiële situatie en de financiële functie komen in dit onderzoek uitgebreid aan de orde. Dit onderzoek is uitgebreider dan het jaarlijkse standaardonderzoek van de gemeentelijke begroting. Met het onderzoek wordt bekeken of het mogelijk is de gemeente voor vier jaar onder het lichte, repressieve toezicht te laten vallen.

Bij repressief toezicht mag een gemeente de plannen uit de begroting en eventuele wijzigingen daarin uitvoeren. De Provincie Limburg heeft daar dan geen rol in. Bij de andere vorm van toezicht, preventief toezicht, moeten GS van Limburg eerst instemmen met de begroting en met eventuele wijzigingsvoorstellen. Bij het beoordelen van een begroting door de Provincie vanuit de toezichthoudende taak moet sprake zijn van een structureel en reëel evenwicht voor dat begrotingsjaar of voor de periode van de meerjarenplanning.