Iedere burger heeft recht op fatsoenlijk lokaal bestuur

1 februari 2018

Twee maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen is er volop aandacht voor de thema’s ‘Integer Bestuur’ en ‘Ondermijning’. Passages hierover in het Regeerakkoord, maar ook de politiek-bestuurlijke actualiteit, zorgen voor een stroom van opvattingen en media-aandacht. De nu voorhanden zijnde instrumenten lijken tekort te schieten als de handhavingsmoraal onvoldoende is. Daarnaast vraagt verweer tegen de toenemende invloed van georganiseerde criminaliteit op het lokaal bestuur om nieuwe maatregelen en instrumenten. Op zichzelf is dit debat toe te juichen, want elke burger heeft recht op fatsoenlijk bestuur, maar er is enige ordening of richting nodig om tot sneller resultaat te komen. Graag doe ik hiervoor, inmiddels enige ervaring rijker, een paar suggesties en pleit voor een aanpak langs 3 sporen.

Volksvertegenwoordigers vormen nu vrijwel de enige beroepsgroep waarvoor wél integriteitsregels en codes gelden, zonder dat er sancties zijn geregeld. Bij overtreding van de code is vaak de enige reflex: de betrokkene (raadslid/statenlid) moet weg. Maar het passief kiesrecht is een groot goed in Nederland en over opstappen beslis je alleen zelf.
Waar het mijns inziens aan ontbreekt, en dat is spoor één, is een breed bestuurlijk vrijwillig sanctiebeleid. Ervan uitgaande dat je als politicus morele oordeelsvorming dient te ontwikkelen; in de spiegel moet durven kijken en moet (kunnen en willen) leren van je fouten. Vormen van boetedoening, zoals deels inleveren van salaris, het afzien van een woordvoerderschap en tijdelijke schorsing, bevorderen dit zelfreinigend gedrag. Daarbij moet proportionaliteit, evenwicht tussen schending en boetedoening, worden toegepast. Het is mijn stelligste overtuiging dat dit zal leiden tot méér meldingsbereidheid en transparantie, en minder krampachtigheid rond integriteitszaken. Alles gericht op leren van je fouten, publieke genoegdoening en dus bevordering van het besef dat integriteit belangrijk is. Daarbij blijft overeind dat bij fraude en zelfverrijking de ultieme consequentie getrokken moet worden; inpakken en wegwezen. Ik roep de organisaties van raads- en statenleden op om in die gedachte snel met voorstellen voor sanctiebeleid integriteitschendingen te komen.

Het tweede spoor gaat over integer bestuur. Om het in ouderwetse termen te zeggen: waarom eisen we niet gewoon als basisvoorwaarde dat ons dagelijks bestuur (wethouders, gedeputeerden) van onbesproken gedrag moet zijn? Op dit moment hebben de burgemeester en de CdK een wettelijke taak om de integriteit van het bestuur te waarborgen, echter zonder dat daar bevoegdheden of instrumenten aan gekoppeld zijn. We kennen wel een scala aan preventieve acties, variërend van stevige gesprekken, cursussen, integriteitsmiddagen en de inmiddels bekende risicoanalyse voor benoeming van bestuurders. In Limburg zijn we er terecht trots op dat reeds bij de vorige verkiezingen in alle 33 gemeenten deze risicoanalyses werden uitgevoerd. Beter nog: de conclusies en aanbevelingen zijn overal geïmplementeerd in samenspel van burgemeesters en gemeenteraden. De schoen wringt als de vrijwillige afspraken terzijde worden gelegd, bijvoorbeeld omdat men de analyses of conclusies aanvecht, om politieke redenen. Moet er dan niet een mogelijkheid komen voor de burgemeester, of voor de combi CdK/minister, om de afspraken afdwingbaar te maken, uiteraard onder gelijktijdige toenemende objectivering van die analyses? Omdat er dan meestal sprake is van een verschil van inzicht tussen de burgemeester enerzijds en (delen van) de gekozen volksvertegenwoordiging anderzijds, ligt hier een sterkere positie voor de CdK/minister eerder voor de hand. Ja, dat betekent ingrijpen in het lokaal democratisch proces, er van uitgaande dat dit slechts in uitzonderlijke situaties toegepast dient te worden. Maar géén instrument ontwerpen, niets doen dus, is geen optie. De Tweede Kamer kan de kaders die de CdK/minister hierbij hanteert prima toetsen. Ik heb de minister geadviseerd om in deze richting handelingsperspectief te ontwikkelen.

Het derde spoor betreft de aanpak van de ondermijning van het lokaal bestuur door georganiseerde vormen van criminaliteit en andere verstoringen van de rechtsorde. Gemeenten en provincies zijn belangrijke vergunningverleners, toezichthouders en subsidiënten. Pogingen van ‘de onderwereld’ om het openbaar bestuur via intimidatie te beïnvloeden zijn bekend. Maar ook infiltratie van het bestuur via de volksvertegenwoordiging én via het dagelijks bestuur, is niet uit te sluiten. Ook hier is het ontwerpen van een proportioneel stelsel van tegenmaatregelen geboden. Het Kabinet heeft hiertoe een ondermijningswet aangekondigd. De maatregelen in die wet moeten wel in evenwicht en samenhang zijn met die uit het eerste en tweede spoor. Hoe reageer je in het vrijwillig sanctiebeleid integriteit bijvoorbeeld op volksvertegenwoordigers met een criminele aantekening op hun VOG?

Het zal nog even duren voordat dit alles tot resultaat leidt. De invoering van gele en rode kaarten in het voetbal heeft ook meer dan 10 jaar geduurd. In de tussentijd moeten we ons behelpen met wat nu aan mogelijkheden voorhanden is, hetgeen ook al niet gering is. Het openbaar bestuur wordt krachtiger als we samen een stevige rode lijn trekken: een signaal afgeven: tot hier en niet verder. Onze democratische waarden verdienen deze bescherming! Wetenschappers en commentatoren nodig ik uit zich daarbij aan te sluiten. Ik ben blij dat ook zeer vele collega’s (burgemeesters, CdK’s) die uitdaging serieus nemen, in de motiverende wetenschap dat de minister van BZK de handschoen krachtig heeft opgepakt!

Theo Bovens, Commissaris van de Koning, Provincie Limburg