Direct naar hoofdmenu / zoekveld
Home / Beleid / Water / Water / Optimaal Waterbeheer in de landbouw

Optimaal Waterbeheer in de landbouw

Het project 'Optimaal Waterbeheer in de Landbouw' startte in 2000. Doel is waterconservering op boerenland en efficienter en minder grondwaterverbruik door de boer. De bedoeling is dat meerdere agrariers rond een natuurgebied deelnemen, zodat zowel de verdroging van dat aangrenzende natuurgebied als de droogteschade aan landbouwgebied afneemt.

De belangrijkste onderdelen van deze aanpak zijn:

  1. algemene regels voor beregening in de open teelten, waaronder toepassing van Beregenen op Maat (BOM). Via toepassing van dit instrument wordt ingezet op een vergroting van de efficiency van het grondwatergebruik voor beregening
  2. het aanwijzen van bufferzones (500 m.) rond de prioritaire gebieden en het instellen van een vergunningsplicht in deze zones voor alle grondwateronttrekkingen t.b.v. beregening in de open teelten. Bedrijfswaterplannen kunnen daarbij fungeren als onderbouwing voor een vergunningsaanvraag. Het bedrijfswaterplan is gericht op waterconservering als bijdrage aan de gewenste grondwaterpeilen en om de beregeningsbehoefte terug te dringen;
  3. onttrekkingslocaties in de genoemde bufferzones met schadelijke effecten op het aangrenzende natuurgebied worden mogelijk verplaatst.

 

De uitgangspunten voor de aanpak zijn neergelegd in het Hoofdconvenant dat oktober 2000 ondertekend is. Binnen de periode 2000 - 2006 worden voor geheel Limburg gebieds-convenanten afgesloten als 'koepel' over de individuele bedrijfswaterplannen. Daarin worden afspraken gemaakt over de uitvoering van de in de bedrijfswaterplannen voorziene maatregelen : wijze en termijn van uitvoering en financiering van de maatregelen. Tevens worden richtlijnen opgenomen voor het beheer van stuwen die overeenkomstig de bedrijfswaterplannen zullen worden geplaatst in secundaire watergangen. De waterschappen stellen bedoelde richtlijnen op.

In elk deelgebied, waarvoor een gebiedsconvenant wordt opgesteld, dient minimaal 80% van degenen die grondwater onttrekken ten behoeve van beregening of bevloeiing van open teelten deel te nemen aan het gebiedsconvenant. Na de uitvoering van de voor dat gebied voorziene waterconserverende maatregelen wordt door het waterschap beoordeeld of alle maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd.

In 2006 wordt het project geëvalueerd en de effecten beoordeeld en wordt bezien in hoeverre OWL adequaat bijdraagt aan het anti-verdrogingsbeleid.
Financiering van het project vindt plaats door provincie, waterschappen en LLTB waarbij als uitgangspunt geldt dat 50% van de kosten door de sector zelf gedragen worden. Voor de inzet van wettelijke instrumenten wordt verwezen naar het startconvenant.

Share |

Uitgelicht


Zoeken