De belangrijkste onderdelen van deze aanpak zijn:
- algemene regels voor beregening in de open teelten, waaronder toepassing van Beregenen op Maat (BOM). Via toepassing van dit instrument wordt ingezet op een vergroting van de efficiency van het grondwatergebruik voor beregening
- het aanwijzen van bufferzones (500 m.) rond de prioritaire gebieden en het instellen van een vergunningsplicht in deze zones voor alle grondwateronttrekkingen t.b.v. beregening in de open teelten. Bedrijfswaterplannen kunnen daarbij fungeren als onderbouwing voor een vergunningsaanvraag. Het bedrijfswaterplan is gericht op waterconservering als bijdrage aan de gewenste grondwaterpeilen en om de beregeningsbehoefte terug te dringen;
- onttrekkingslocaties in de genoemde bufferzones met schadelijke effecten op het aangrenzende natuurgebied worden mogelijk verplaatst.
De uitgangspunten voor de aanpak zijn neergelegd in het
Hoofdconvenant dat oktober 2000 ondertekend is. Binnen de periode
2000 - 2006 worden voor geheel Limburg gebieds-convenanten
afgesloten als 'koepel' over de individuele
bedrijfswaterplannen. Daarin worden afspraken gemaakt over de
uitvoering van de in de bedrijfswaterplannen voorziene maatregelen
: wijze en termijn van uitvoering en financiering van de
maatregelen. Tevens worden richtlijnen opgenomen voor het beheer
van stuwen die overeenkomstig de bedrijfswaterplannen zullen worden
geplaatst in secundaire watergangen. De waterschappen stellen
bedoelde richtlijnen op.
In elk deelgebied, waarvoor een gebiedsconvenant wordt opgesteld,
dient minimaal 80% van degenen die grondwater onttrekken ten
behoeve van beregening of bevloeiing van open teelten deel te nemen
aan het gebiedsconvenant. Na de uitvoering van de voor dat gebied
voorziene waterconserverende maatregelen wordt door het waterschap
beoordeeld of alle maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd.
In 2006 wordt het project geëvalueerd en de effecten beoordeeld en
wordt bezien in hoeverre OWL adequaat bijdraagt aan het
anti-verdrogingsbeleid.
Financiering van het project vindt plaats door provincie,
waterschappen en LLTB waarbij als uitgangspunt geldt dat 50% van de
kosten door de sector zelf gedragen worden. Voor de inzet van
wettelijke instrumenten wordt verwezen naar het startconvenant.