Direct naar hoofdmenu / zoekveld
Home / Beleid / Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting / PCOL / Uitgebrachte adviezen / PCOL 2009-04 Brief inzake Monitoring Kwalit Instr.doc

PCOL 2009-04 Brief inzake Monitoring Kwalit Instr.doc

Provinciale Commissie

Omgevingsvraagstukken

Limburg



Aan

Het College van Gedeputeerde Staten

van Limburg



Ons kenmerk

PCOL2009-04

Uw kenmerk

Faxnummer

(043) 389 79 77

Doorkiesnummer

(043) 389 73 98

Bijlage(n)

1

Maastricht

25 februari 2009



Onderwerp

Monitorrapportage ruimtelijke kwaliteitsinstrumenten Provincie Limburg 2008


Behandeling in PCOL d.d.: 15 januari



De PCOL heeft in haar vergadering van 15 januari jl. van gedachten gewisseld over de

monitorrapportage ruimtelijke kwaliteitsinstrumenten Provincie Limburg 2008.

Van een concrete adviesaanvraag door uw College was geen sprake; toch wil de commissie u de weergave van het besprokene niet onthouden. Wellicht kunt u hieraan nog toegevoegde waarde ontlenen in het vervolgtraject.


De Provinciale Commissie

Omgevingsvraagstukken Limburg,

namens deze,





drs. B. Fasol,

voorzitter


Uit: Verslag PCOL-vergadering d.d. 15 januari 2009



3. Onderwerpen ter meningsvorming

3.1 Monitorrapportage ruimtelijke kwaliteitsinstrumenten Provincie Limburg 2008


De heer Rongen (afdeling RO provincie) licht aan de hand van het topmemo de (totstandkoming van de) monitorrapportage kort toe. Zijn belangrijkste vraag is of de PCOL van mening is dat de presentatie van de gegevens op het goede niveau plaatsvindt of dat er meer op hoofdlijnen of wellicht meer op projectniveau gerapporteerd zou moeten worden.

De heer Hansma vindt het een goede zaak dat alle provinciale kwaliteitsinstrumenten in één rapportage worden gemonitord. Kijkend naar het detailniveau van monitoring, stelt spreker vast dat voor sommige instrumenten –zoals Rood voor Groen- gedetailleerd wordt gerapporteerd (groot aantal projecten) en voor andere –BOM+ en VORm- niet. Hierin kan wellicht meer evenwicht worden gebracht. Verder pleit hij ervoor om alle plannen in een bijlage op te nemen, zodat men desgewenst een compleet beeld kan verkrijgen.

Als spreker de monitorrapportage leest, valt hem op dat borging van de tegenprestatie (planologisch en financieel) vaak de Achilleshiel van het geheel is. Uit de monitorrapportage blijkt dat tegenprestaties nogal eens niet of half worden gerealiseerd. Dit is onwenselijk, temeer daar de provincie met de nWro nog meer op afstand komt te staan en het hele instrumentarium aan de gemeenten wil overdragen. Spreker roept daarom op om nu te bezien wat er aan verbetering van de uitvoering van de tegenprestatie gedaan kan worden en als dat eenmaal goed loopt, alles pas over te dragen aan de gemeenten.

De heer Schrijen vindt de laatste opmerking van de heer Hansma de crux van het verhaal. Rode ontwikkelingen lijken interessanter dan de groene tegenprestatie / compensatie. De provincie heeft aangegeven de gemeenten hierover te zullen gaan aanschrijven. Spreker adviseert om de brief beknopt te houden. Verder schrijft de provincie dat zij de handhaving zwaarder wil gaan optuigen. Hoe denkt zij dat te gaan realiseren? Tenslotte lijkt het of er in de tegenprestaties verschuivingen plaatsvinden van natuurontwikkeling naar Dorpsontwikkelingsplannen, multifunctionele accommodaties etc. Tenminste zou met de gemeenten de afspraak moeten worden gemaakt dat, als ergens een ha. natuur verloren gaat, deze in elk geval wel gecompenseerd moet worden. Denk pas aan andere bestemmingen als natuurcompensatie in elk geval gerealiseerd wordt en leg dit ook al ruimtelijk vast.

Tenslotte vraagt hij meer aandacht voor aspecten m.b.t. waterhuishouding.

De heer Dinghs vindt dat als overheden regels maken, deze ook nageleefd moeten worden. Gemeenten zijn v.w.b. handhaving niet altijd actueel; hij vraagt hiervoor aandacht. Compensatie in het kader van BOM+ dient binnen twee jaar te worden gerealiseerd; hierop moet dan ook worden toegezien.

Verder zijn er t.b.v. het VORm-instrument lijnen getrokken rond de dorpskernen. Voor alles wat daarbuiten wordt gebouwd (al is het maar een meter) vindt een berekening plaats volgens welke moet worden bijgedragen. Grondeigenaren krijgen dan maar een heel gering bedrag (agrarische waarde) voor hun grond, hetgeen de verkoop in de praktijk bemoeilijkt; de verwachtingswaarde is immers hoger. Spreker vraagt enige flexibiliteit bij de verrekening van grondprijzen direct aan de randen van de kernen.

Met respect voor alles wat de provincie de afgelopen jaren op dit gebied tot stand heeft gebracht, pleit hij er wel voor om het provinciale instrumentarium naar gemeenten of regio’s over te hevelen met het POL2006 als uitgangspunt. Wel moet worden geborgd dat alle gemeenten er op dezelfde manier mee omgaan d.m.v. bijvoorbeeld regionale of gemeentelijke kwaliteitscommissies.

De heer Heijnen gaat als volgt in op de vragen in het topmemo.

Vraag 1: akkoord.

Vraag 2: spreker is ervoor dat op projectniveau wordt gerapporteerd om goed zicht op de projecten en op de relatie ingreep / effect te kunnen houden. Vaak blijkt dat bijv. 5 ha. wordt geamoveerd en dat voor 7 ha. kavels worden uitgegeven (toename “rood”)1. Dit kan weliswaar wel leiden tot kwaliteitsverbetering, maar hij wil dit dan ook zien, omdat dit niet blijkt uit alleen de getallen.

Verder staat op pagina 30 van de rapportage dat van de 175 VORm-initiatieven, er één is afgekeurd door de Kwaliteitscommissie. Nodigt VORm dan niet uit om buiten de contouren initiatieven te ontwikkelen en is dit wel de bedoeling?

Vraag 3: jaarlijkse monitoring en evaluatie, aan elkaar gekoppeld en met inachtneming van aspecten als het hierboven vermelde.

Vraag 4: tegenprestatie: idem opmerkingen heer Schrijen. De tegenprestatie van een rode ontwikkeling moet niet ook rood zijn, zoals men bijv. van plan is bij de hevel (Holtum Noord III).

De heer Senden heeft eveneens de indruk dat VORm leidt tot uitzonderingssituaties om buiten de rode contour te kunnen bouwen; het wordt daarmee puur een financieel instrumentarium.

Verder vraagt hij zich af of de Edco in de getallen m.b.t. natuur en landschap is verwerkt (73% / 210 ha.). Deze vraag wordt vanuit de commissie bevestigend beantwoord.

Voorts wil spreker de kwaliteitsimpuls bij VORm toch breder inzetten dan alleen voor vlakdekkende natuur. Er zijn ook andere zaken die met kwaliteit in het buitengebied te maken hebben, zoals verplaatsing van agrarische bedrijven, een landschapsfonds voor groen-blauwe diensten, akkerrandenbeheer, revitalisering oude bedrijventerreinen etc.

Met eerdere opmerkingen over de borging van afspraken is spreker het eens: als je een regel maakt, moet je hem naleven.

Tenslotte vindt hij dat de Kwaliteitscommissie goed werk verricht; enige standaardisering en uniformiteit tussen gemeenten is gewenst en deze commissie zorgt daarvoor.


De heer Rongen reageert als volgt op de opmerkingen vanuit de PCOL.

  • De provincie is intern bezig met een betere borging van de tegenprestatie. De afdeling Landelijk Gebied zal in overleg met initiatiefnemers meer gaan controleren of tegenprestaties in het kader van BOM+ ook werkelijk gerealiseerd zijn. Bovendien komt er een brief aan de gemeenten waarin deze worden verzocht om hun taken op dit gebied beter op te pakken.

  • Het contourenbeleid is m.n. in Noord- en Midden-Limburg zodanig opgezet dat de contouren zijn getrokken rond de bestaande bebouwing en bestemmingen woningbouw. In Zuid-Limburg zijn de contouren minder strak, maar al 10 jaar geleden opgesteld, zodat men daar inmiddels ook aan de grens van de bebouwing is beland. E.e.a. betekent dat je, als je wilt bouwen, bijna automatisch buiten de contour terecht komt en daarom te maken krijgt met het VORm-beleid en met het leveren van een tegenprestatie. De opmerking dat het VORm-beleid uitnodigt tot bouwen buiten de contour is dus terecht, want bouwen binnen de contour is niet tot nauwelijks meer mogelijk: alle nieuwe plannen krijgen te maken met VORm. Niet alle plannen zijn echter zonder meer mogelijk. Er wordt eerst een planologische afweging gemaakt of er -onder voorwaarden- buiten de contour gebouwd kan worden. Als het gaat om de waardebepaling van de grond direct buiten de contouren, is de afspraak dat wordt uitgegaan van agrarische bestemming (€ 3,50 - € 10,- per m²), dit mede om de prijzen van agrarische gronden niet op te drijven en om speculatie tegen te gaan. Inderdaad leidt dit wel weer tot andere problemen zoals door de heer Dinghs gesignaleerd.

  • Verruiming van de tegenprestaties. Het huidige beleid is dat een tegenprestatie in de POG moet worden gerealiseerd. Het nieuwe Kwaliteitsmenu is hierin een stuk ruimer. Er wordt nog bezien hoe de tegenprestatie precies vorm moet krijgen en of er bepaalde voorwaarden kunnen worden gesteld dat wanneer er natuur of landschap wordt aangetast, dit ook gegarandeerd in natuur of landschap gecompenseerd moet worden. Overigens geldt de Natuurcompensatiewet wanneer er natuur of bos wordt verwijderd.

  • Als de provincie het Kwaliteitsmenu overdraagt, worden duidelijke afspraken gemaakt met individuele gemeenten over de wijze waarop zij via kwaliteitsfondsen de kwaliteitsbijdrage/ tegenprestatie over verschillende sectoren (natuur, landschap, leefbaarheid etc.) zullen verdelen.


De heer Dinghs waarschuwt ervoor dat er in deze materie en na de komst van de nWro nog geen jurisprudentie is. De heer Rongen antwoordt dat de provincie zich hiervan bewust is. De heer Hansma vult aan dat de situatie volgens de VROM-juristen is dat in Limburg nu in feite een gemeente niet meer tegengehouden kan worden als zij buiten de contouren wil bouwen en dat zeker geen tegenprestatie afgedwongen kan worden.

V.w.b. de verruiming van de tegenprestatie in het Kwaliteitsmenu, pleit de heer Heijnen er nadrukkelijk voor om een relatie te houden tussen datgene wat verloren gaat en wat gecompenseerd wordt. Natuur kan z.i. niet gecompenseerd worden door een gemeenschapshuis.

De heer Senden vindt dat dat laatste ook voor BOM+ geldt; er moet een relatie zijn.



1 Noot van de heer Rongen: bij de oppervlakte van stallen die gesloopt worden, gaat het om vierkante meters steen. Bij de oppervlakte van nieuwe woningen gaat het om vierkante meters met de bestemming woningbouw. Op een perceel t.b.v. woningbouw is doorgaans slechts 10 tot maximaal 50% steen. De rest is tuin, groen, etc. Er vindt dus wel degelijk ontstening plaats.

010103-0172


Uitgelicht


Zoeken