Direct naar hoofdmenu / zoekveld
Home / Beleid / Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting / PCOL / Uitgebrachte adviezen / PCOL 2008-15 Advies cpt POL aanvulling Provinciaal Waterplan 2010-2015.doc

PCOL 2008-15 Advies cpt POL aanvulling Provinciaal Waterplan 2010-2015.doc

Provinciale Commissie

Omgevingsvraagstukken

Limburg



Aan

Het College van Gedeputeerde Staten

van Limburg



Ons kenmerk

PCOL2008-12

Uw kenmerk

Faxnummer

(043) 389 79 77

Doorkiesnummer

(043) 389 73 98

Bijlage(n)


Maastricht

13 oktober 2008




Onderwerp

Advies inzake concept POL-aanvulling Provinciaal Waterplan 2010-2015



Datum behandeling PCOL: 4 september 2008


De PCOL heeft met grote belangstelling kennis genomen van de concept POL-aanvulling Provinciaal Waterplan 2010-2015.


De adviesvraag heeft zich toegespitst op de volgende onderwerpen:


  1. Aanpak regionale (grond)waterkwaliteit.

De KRW vraagt een goede chemische toestand van het grond- en oppervlaktewater. De ambitie van de provincie is om de regionale aanpak voor oppervlaktewateren te richten op sanering van riooloverstorten op kwetsbare wateren door gemeenten, het verbeteren van het rendement van RWZI’s door de waterschappen en de aanpak voor grondwater te richten op een aantal onderzoeksmaatregelen teneinde adequate maatregelpakketten te ontwikkelen. Van het Rijk wordt een generieke aanpak verwacht en ondersteuning van de regionale aanpak. Aan de PCOL wordt gevraagd wat zij vindt van de provinciale ambitie met betrekking tot de verbetering van de regionale (grond)waterkwaliteit.


Advies:

De commissie ondersteunt de uitgangspunten van de provincie dat de beoogde KRW maatregelen haalbaar en betaalbaar moeten zijn. Uitgangspunt dient te zijn dat de nationale en Europese uitgangspunten worden gevolgd, ook die ten aanzien van de mestproblematiek.

Daarbij wordt aandacht gevraagd om de lasten voor de burger steeds goed in het oog te houden. De commissie vindt het belangrijk dat bij de verbetering van de waterkwaliteit prioriteit wordt gegeven aan kwetsbare gebieden, zoals kwetsbare beken en kwetsbare grondwaterwinningen. De bijzondere positie en kwetsbaarheid van het Mergelland en de huidige nitraatproblemen aldaar worden erkend. Regionale differentiatie van doelen en maatregelen evenals de mogelijkheid van fasering bieden volgens de commissie voldoende mogelijkheden om invulling te geven aan de haalbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen.

De commissie is benieuwd naar de financiële paragraaf nadat de gemeenten hun kosten en maatregelen in beeld hebben gebracht.

Ten aanzien van warmte- en koudeopslag (WKO) is te lezen dat veel onderzoek plaatsvindt naar Wko (m.n. in de tuinbouw en kassen) en dat dit grootschalig gaat worden. Dit betekent dat sommige gebieden waardevol gaan worden voor die ontwikkeling en andere juist niet. De commissie stelt vast dat hierover vanuit de RO-hoek nog discussie gevoerd moet worden.

In het Provinciaal Waterplan Limburg ( PWL) is te lezen dat voor water voor menselijke consumptie een heldere definitie wordt gegeven en dat de rest wordt geschaard onder “overige toepassingen”. De commissie constateert dat in eerdere documenten, te weten de Notitie Diepe Onttrekkingen en het POL2001, een andere definitie werd gehanteerd, namelijk hoogwaardig (alles wat in aanraking komt met voeding/voedingsindustrie) en laagwaardig. De invoering van de KRW en de uitwerking daarvan in het PWL maakt echter een meer exacte en eenduidige definitie noodzakelijk, zoals die nu gehanteerd wordt. De commissie vraagt aandacht voor een juiste definiëring in alle provinciale documenten.


  1. Prioriteit bij Natura 2000 gebieden bij aanpak herstel van de grondwaterafhankelijke natuur.

Nieuw is de aanpak van de 48 TOP-gebieden bij verdrogingsherstel, waarover afspraken met het Rijk zijn gemaakt inzake financiering en herstel in het kader van ILG. Daarmee komt de eerdere aanpak van prioritaire en kansrijke verdrogingsgevoelige gebieden te vervallen. Binnen de aanpak van de TOP-gebieden wordt voorrang gegeven aan het behalen van de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000 gebieden, die onder de vlag van de KRW zijn geplaatst. Wat vindt de PCOL van de priotering van de verdrogingsaanpak?


Advies:

De commissie ondersteunt het voorstel van de provincie om met betrekking tot de verdrogingsbestrijding en de aanpak van de 48 TOP-gebieden voorrang te geven aan het herstel van de natte Natura 2000 gebieden, mede gezien de zorgen over de voortgang van de uitvoering. Deze aanpak wordt overigens ook door het Rijk onderschreven. Via Nieuw Limburgs Peil wordt door de waterschappen in een gebiedsproces met betrokken partijen gezamenlijk naar draagvlak gezocht voor voorgestelde maatregelpakketten, hetgeen een goede weg is. De commissie constateert dat de uitvoering van het GGOR wat stagneert en dat het in de praktijk moeilijk blijkt om zaken te realiseren, met name door de moeizame grondverwerving.


  1. Normering regionale wateroverlast.

In januari 2007 hebben GS uitgangspunten voor de normering van wateroverlast in Limburg vastgesteld, op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. De waterschappen hebben deze uitgangspunten onderschreven. Met de normering wordt de zorgplicht van het waterschap voor het tegengaan van overstromingen vastgelegd in de vorm van een beschermingsniveau, uitgedrukt in de maximale kans per jaar op wateroverlast.

Een discussiepunt is de wijze van normering in beekdalen met beken met een Specifiek Ecologische Functie (SEF-beken). De ambitie van de provincie is om geen normen vast te stellen in de beekdalen van SEF-beken (perspectieven P1 t/m P3). Wat vindt de PCOL van de beleidsvoorstellen op dit gebied?


Advies:

De commissie heeft kennis genomen van de uitgangspunten voor normering van wateroverlast en de voorstellen van de waterschappen en redeneert hierover als volgt:

1. Het is van groot belang om -mede gezien de verwachte klimaatveranderingen- in alle beekdalen met SEF beken de ruimte voor veerkrachtige watersystemen voor de toekomst te bewaren en inundaties niet aan banden te leggen. Dit pleit ervoor om het areaal waarin een (1:10) norm wordt gehanteerd niet uit te breiden ten opzichte van de uitgangspunten van GS. Op deze wijze blijft er flexibiliteit om zonodig toekomstige hogere afvoeren op te vangen in de natuurlijke beekdalen.

2 Het belang van een veerkrachtig watersysteem met voldoende sponswerking in Hoog-Nederland wordt - mede gezien de verwachte klimaatveranderingen - onderschreven in het concept Nationaal Waterplan (september 2008) en in het in september 2008 uitgebrachte advies van de commissie Veerman (Deltacommissie). In het Nationaal Waterplan wordt aangegeven dat om deze reden in landbouwgebieden in beekdalen een geleidelijk toenemende wateroverlast geaccepteerd zal moeten worden.

3. De provincie mag op basis van de ontwerp-waterwet bepalen waar een normering voor wateroverlast wordt ingevoerd. De landbouw kan zich niet beroepen op een recht op bescherming tegen wateroverlast als de provincie geen norm vaststelt. Zo is er overigens ook geen norm om landbouwgronden langs de Maas tegen Maasoverstromingen te beschermen: de Maasnorm geldt alleen binnen de kaden (dijken) langs de Maas. Er zijn in het Nationaal Bestuursakkoord Water weliswaar landelijke referentienormen opgenomen voor landbouwgebieden (1:10 voor grasland en 1:25 voor akkerbouw) maar dit is slechts een richtlijn waarvan de provincie mag afwijken. In het Nationaal Bestuursakkoord Water wordt bovendien expliciet gesteld dat deze referentienormen niet gelden voor beekdalen. Andere provincies gaan op basis daarvan ook lagere normen of geen normen (zoals in de buurprovincie Noord-Brabant) voor natuurlijke beekdalen vaststellen.

4. Het POL beleid is om in deze beekdalen een ontwikkelingsgerichte bescherming te hanteren: alleen functies die passen bij een natuurlijk watersysteem (waaronder ook landbouw) zijn toegelaten. Het invoeren van een norm zou aan dit POL beleid afbreuk doen. Als hier een wettelijke bescherming tegen wateroverlast wordt ingevoerd zou dit immers andere functies (zoals nieuwe bebouwing) in de beekdalen stimuleren.

5. In de betreffende gebieden waarvoor de waterschappen een 1:10 norm voorstellen is het huidige beschermingsniveau nu vrijwel altijd al groter dan 1:10. Dat betekent dat het wel of niet invoeren van een norm in deze gebieden in de praktijk geen gevolgen heeft.

6. Het beperken van de zone met “geen normen” tot blauwe gordels bij Waterschap Peel en Maasvallei (WPM) zou de normeringskaart gedetailleerder maken: de kaart is nu gebaseerd op de POL-perspectieven en daar zou een begrenzing aan worden toegevoegd. Dit is niet eenvoudig uitvoerbaar, maakt de kaarten gedetailleerder en betekent een complicerende factor voor het onderhoud van de kaarten. In veel andere provincies (zoals Noord-Brabant) wordt de normering op een nog globaler niveau vastgelegd. Soms zelfs zonder vastlegging op kaarten maar alleen met verwijzing naar het huidige landgebruik. Dat laatste is in Limburg overigens niet toepasbaar omdat hier veel wisselteelten plaatsvinden.

7. De waterschapsvoorstellen kunnen rekenen op draagvlak bij de landbouwsector. Het WPM voorstel is een compromis waar de betrokken partijen (waterschap, terreinbeheerders en landbouw) mee akkoord zijn. Hierbij merkt de commissie op dat in de betreffende gebieden het huidige beschermingsniveau momenteel nu vrijwel altijd al groter is dan 1:10. De landbouw zal in deze gebieden op korte termijn dus niet beter beschermd worden door het invoeren van de 1:10 norm. Het invoeren van deze norm zou dus in hoge mate een symbolisch bestuurlijk-politiek gebaar zijn om de landbouw tegemoet te komen. Pas op de langere termijn (na 2015) geeft de norm de garantie dat het beschermingsniveau ook gehandhaafd blijft en biedt de norm meerwaarde voor de landbouw.

8. Omdat in de betreffende gebieden waarvoor de beide waterschappen een 1:10 norm voorstellen het huidige beschermingsniveau nu vrijwel altijd al groter is dan 1:10 kan deze norm nu vrijwel zonder extra maatregelen en kosten worden ingevoerd. De gewenste natuurlijke ontwikkeling van het watersysteem wordt tot 2015 dus ook niet door maatregelen aangetast. Dit vindt de commissie echter geen argument om in die gebieden een norm in te voeren, want,op de langere termijn zullen daar waarschijnlijk wel extra maatregelen nodig zijn om blijvend aan deze norm te voldoen. Het vaststellen van een norm kan dus op de langere termijn èn kosten èn een achteruitgang van het natuurlijk systeem betekenen. De kansen om water de naar verwachting noodzakelijke ruimte te kunnen (blijven) bieden verminderen. Gelet op de ernst van de klimaatverandering is denken in termijnen tot 2015 niet verstandig.

9. Indien geen norm wordt vastgesteld kunnen de waterschappen - net als nu - door beheer van de waterlopen, zelf ervoor zorgen dat in de praktijk toch een bescherming tegen wateroverlast geboden wordt.


Gezien het bovenstaande adviseert de commissie om geen normen vast te stellen in beekdalen met SEF beek, conform de uitgangspunten van GS van januari 2007.



Opvullen van normen

In de commissie werd door de LLTB de vraag gesteld of de normen opgevuld mogen worden op plaatsen waar het beschermingsniveau hoger is dan de norm. De commissie constateert dat het opvullen van normen is toegestaan, want de norm geeft alleen het minimale beschermingsniveau aan waar de burger recht op heeft. Waar in beekdalen geheel geen norm geldt kan de inundatiefrequentie in theorie dus onbeperkt toenemen, Dit is overigens nu ook het geval want er geldt nu ook geen norm. De commissie adviseert om na vaststelling van de normen grootschalige normopvulling door actief menselijk ingrijpen (bijv. door beekherstel) echter zoveel mogelijk te vermijden omdat burgers hierdoor in belangen geschaad kunnen worden. Vaak zijn er andere alternatieven voorhanden (bijv. aankoop van meanderstroken) en normopvulling hoeft daarom in de praktijk niet vaak voor te komen. Als normopvulling onvermijdelijk is moeten initiatiefnemers (veelal waterschappen) ernaar streven om landbouwers en andere burgers niet in belangen te schaden. Dit kan door bijv. mitigatie, grondruil, gebiedsontwikkeling. Indien toch onevenredige schade optreedt is daarvoor een achtervang in de vorm van de nadeelcompensatieregeling van de waterschappen. De commissie doet de suggestie om - als opvulling van normen nodig is - in bepaalde gebieden te gaan werken met groen-blauwe diensten om het draagvlak bij de landbouwsector te vergroten.


Verkleining van P2/P3 gebieden

Samenhangend met de normering is door de LLTB het idee geopperd om de P2/P3 gebieden te verkleinen en er daar P4/P5 gebieden (primaat landbouw) van de maken. Daarmee zou automatisch het gebied waar geen norm voor wateroverlast geldt ook verkleinen. Het is mogelijk dat er delen van P2/P3 gebieden zouden kunnen afvallen omdat daar - ook in de toekomst - echt geen beïnvloeding van de beken is en er op andere gronden ook onvoldoende reden is om deze gebieden als “ruimte voor veerkrachtig watersysteem” te beschermen. Een eventuele verkleining van de P2/P3 gebieden vergt echter nog de nodige studie, omdat de klimaatveranderingen juist pleiten voor het handhaven van de ruimte voor het veerkrachtige watersysteem. N.B. de ruimtelijke bescherming in P2/P3 gebieden dient niet alleen voor het vasthouden en bergen van water maar ook voor het bewaren van karakteristieke beekdallandschappen. In dit POL kunnen de P2/P3-gebieden (nog) niet verkleind worden. Een verkleining van de P2/P3 gebieden tot de omvang van de “blauwe gordels” is overigens niet aan de orde. Dat zou veel te ver gaan, want de blauwe gordels geven slechts aan waar op korte termijn actief maatregelen genomen zullen worden.


Overigens is door de vertegenwoordiger van de LLTB erop gewezen dat bij brief van 26 september 2008 een schriftelijke reactie op de concept waterplannen is toegezonden aan uw college en aan de dagelijkse besturen van de Waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas.




De Provinciale Commissie

Omgevingsvraagstukken Limburg,

namens deze,





drs. B. Fasol

voorzitter





010103-0172


Uitgelicht


Zoeken