Direct naar hoofdmenu / zoekveld
Home / Beleid / Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting / PCOL / Uitgebrachte adviezen / PCOL 2008-10a Brief inzake BuitenringParkstad.doc

PCOL 2008-10a Brief inzake BuitenringParkstad.doc

Provinciale Commissie

Omgevingsvraagstukken

Limburg



Aan

Het College van Gedeputeerde Staten

van Limburg



Ons kenmerk

PCOL2008-10a

Uw kenmerk

Faxnummer

(043) 389 79 77

Doorkiesnummer

(043) 389 73 98

Bijlage(n)

1

Maastricht

1 augustus 2008



Onderwerp

Nota Buitenring Parkstad Limburg


Behandeling in PCOL d.d.: 22 mei 2008



De PCOL heeft in haar vergadering van 22 mei jl. van gedachten gewisseld over de (ter kennisneming toegezonden) Nota Buitenring Parkstad Limburg.

Van een concrete adviesaanvraag was geen sprake; toch wil de commissie uw College de weergave van het besprokene niet onthouden. Wellicht kunt u hieraan nog toegevoegde waarde ontlenen in het vervolgtraject.


De Provinciale Commissie

Omgevingsvraagstukken Limburg,

namens deze,





drs. B. Fasol,

voorzitter


Uit: verslag vergadering PCOL d.d. 22 mei 2008


4 Onderwerpen ter kennisneming

4.1 Nota Buitenring Parkstad Limburg


De voorzitter constateert uit het topmemo dat er geen specifieke vragen aan de PCOL worden gesteld; op 9 mei jl. heeft de Statencommissie Fysiek Domein een nota m.b.t. Buitenring Parkstad behandeld. Deze is nu ter kennisname aan de PCOL gezonden.

V.w.b. het laatste tekstblok op pagina 5 (“Communicatie en inspraak”) stelt spreker vast dat er voor het voorkeurstracé géén POL-aanvulling wordt opgesteld. Hebben mensen dan nog wel voldoende inspraak? De heer Steinbusch (afdeling Infraprojecten) antwoordt dat het bestuurlijk voorkeurstracé niet gekoppeld is aan regelgeving, maar dat GS de burgers toch in de gelegenheid willen stellen om tijdens de ter inzagelegging te reageren op het voorkeurstracé. Er wordt direct gekoerst naar een provinciaal inpassingsplan in het kader van de nWro: dit levert meer voortvarendheid en minder procedures op. Overigens is de corridor voor de Buitenring op basis van een eerdere MER al in het POL2001 en het POL2006 opgenomen.

De heer Heijnen merkt op dat het ernaar uitziet dat het voorkeurstracé zoals dat in de startnotitie is genoemd, ook het voorkeurstracé van de provincie gaat worden. De Milieufederatie is hier heel ongelukkig mee; het tracé loopt immers o.a. door diverse beekdalen en het Brunssummerheidegebied. Enkele gemeenten (Kerkrade, Nuth) delen deze mening. De Milieufederatie en Natuurmonumenten hebben dan ook een externe adviseur in de arm genomen, die tot andere conclusies komt dan de provincie, namelijk dat er in het gebied geen echte infrastructurele knelpunten zijn. De problemen kunnen worden opgelost met een veel minder ingrijpende “verbetervariant” en er hoeft geen nieuwe weg te worden aangelegd. Spreker heeft het gevoel dat de provincie toe redeneert naar de snelwegvariant en dat in de door haar gekozen procedure de alternatieven onvoldoende aan bod komen.

De heer Hanraets geeft aan dat RWS voldoende betrokken is geweest in het proces m.b.t. de Buitenring omdat er ook een stukje A76 in het spel is. Hij ziet echter wel wat procedurele (zie opmerkingen Milieufederatie) en financiële risico’s. Op pagina 4 staat onder “Kosten” het tussen provincie, Parkstad en betrokken gemeenten afgesproken beginsel van “samen de trap op, samen de trap af,” terwijl op dezelfde pagina tevens een financiële bijdrage aan het rijk wordt gevraagd. Spreker vindt dit wat tegenstrijdig. Hij waarschuwt om niet te optimistisch te zijn over een rijksbijdrage aan dit project, aangezien de MIRT-pot voor regionale/lokale projecten de komende jaren eigenlijk leeg is.

Mevrouw Smit heeft geen aanvullende opmerkingen; de Kamer van Koophandel ondersteunt het plan zoals het er nu ligt.

In tegenstelling tot de heer Heijnen, vindt de heer Looyestijn de realisatie van de Buitenring van zeer groot belang voor Parkstad Limburg, en wel in de vorm zoals omschreven in het voorliggende stuk. Een van de redenen waarom Parkstad Limburg economisch niet optimaal loopt, is juist de buitengewoon gebrekkige ontsluiting. De aanleg van de Buitenring lost dit op. Verder wil hij met nadruk opmerken dat het in deze kwestie tijd wordt voor eensgezind optreden door provincie en regio: iedereen moet achter het plan gaan staan en niet in discussie treden over (irrelevante) details. Parkstad moet met één mond spreken; het is van belang dat de Buitenring zo spoedig mogelijk wordt aangelegd.

De heer Senden stelt vast dat, in geval van aanleg van de Buitenring zoals in het stuk omschreven, een oplossing moet worden gevonden voor twee agrarische bedrijven in de omgeving. Verder zal aanleg van de weg plaatsvinden in het stedelijk gebied. Gebruik van dubbele ZOAB is daarom erg gewenst; aandacht voor geluidsoverlast.

De heer Versaevel constateert met blijdschap dat de aanleg van de Buitenring voor Defensie erg positief uitpakt. Verder heeft hij vernomen dat er een provinciaal inpassingsplan komt. Voorzover zijn kennis van de nWro reikt, kan een inpassingsplan alleen worden toegepast als gemeenten zelf de zaak niet oppakken. Twee gemeenten zijn niet erg voorstander van het omschreven tracé. In hoeverre is de slagingskans van een inpassingsplan dan nog reëel?


De heer Steinbusch reageert als volgt op de opmerkingen vanuit de commissie.

  • V.w.b. de laatste opmerking van de heer Versaevel geeft spreker aan dat de provincie een inpassingsplan (= een eigenstandige bevoegdheid van de provincie die in de plaats komt van een gemeentelijk bestemmingsplan) kan maken op het moment dat sprake is van regionaal belang. De nWro schrijft voor dat in zo’n geval wel de gemeenteraden gehoord moeten worden gedurende de procedure. Het voornemen van GS is om het horen van de gemeenteraden zo snel mogelijk op te pakken.

  • Het is nadrukkelijk het streven van de provincie en van Parkstad om in deze kwestie met één mond te spreken. GS willen zeker in gesprek blijven met de beide gemeenten die op dit moment een afwijkende mening zijn toegedaan, om in goed overleg tot een gedragen oplossing te komen.

  • Procedureel is inderdaad geen sprake van een POL-herziening, maar er kunnen wel degelijk zienswijzen ingediend worden. Er kan gereageerd worden op het bestuurlijk voorkeurstracé. Dit is weliswaar geen formele procedure, maar GS vinden het toch van belang om te weten wat er bij de bevolking en bij belangengroeperingen leeft, zodat dit kan worden meegenomen in het kader van het inpassingsplan.

  • V.w.b. het onderdeel “nut en noodzaak van de Buitenring” heeft de provincie een Tracénota/MER laten opstellen door een onafhankelijk bureau, die alles uitgebreid en zorgvuldig onderzocht heeft. Uit deze Tracénota komen nut en noodzaak van de Buitenring (100 km / uur en 2 x 2 rijstroken) duidelijk naar voren. Over het doorsnijden van twee beekdalen door dit tracé merkt spreker op dat in POL2001 en POL2006 sprake was van een corridor voor de Buitenring, die was bepaald naar aanleiding van een Corridor-MER. Buiten deze corridor zijn ook alle alternatieven en varianten bekeken. Een andere optie dan de gekozene bleek niet mogelijk. Daarnaast wordt de Tracénota/MER voor de Buitenring in één studie uitgevoerd met de Umweltverträglichkeitsstudie voor de B258. Hierbij is steeds de strengste regelgeving van beide landen als uitgangspunt genomen. In Duitsland moet men bijvoorbeeld een conflictzonekaart opstellen. Dat is nu ook voor de Buitenring gebeurd. In het kader van deze conflictzonekaart is ook nog eens gekeken buiten de corridor en naar alle conflicten die daar optreden. Ook deze kaart heeft opgeleverd dat de Buitenring het beste gerealiseerd kan worden binnen de genoemde corridor.

  • Het “samen de trap op, samen de trap af-“beginsel is met de regio vastgelegd in een bestuursconvenant. Verder gaat de provincie ervan uit dat in het kader van het MIRT-overleg naar creatieve oplossingen wordt gezocht voor financiering van de Buitenring en dat deze ook zullen worden gevonden.

  • De vraag van de heer Senden m.b.t. de huiskavels van agrarische bedrijven zal bij de uitwerking van het tracé op perceelsniveau worden meegenomen.

  • V.w.b. het onderdeel geluid meldt spreker dat voor de Buitenring ook duurzaamheidsaspecten zullen worden meegenomen. In dat verband zal in elk geval worden gekozen voor geluidsarm afval. In het kader van het Tracénota/MER-onderzoek is geconstateerd dat het aantal geluidgehinderden sowieso afneemt vanwege de bundeling van verkeer op de Buitenring. Verder moet de provincie in het kader van de Wet Geluidhinder voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A). Daar waar nodig en mogelijk zullen aanvullende geluidswerende voorzieningen worden getroffen.


Naar aanleiding van de antwoorden van de heer Steinbusch merkt de heer Heijnen op dat hier sprake is van een politieke afweging. Hij denkt dat in dit geval de politieke wens om de Buitenring aan te leggen, sterk doorklinkt in de uitkomsten van de adviezen (Tracénota/MER, conflictzonekaart). De Milieufederatie is, gezien de demografische ontwikkeling in Parkstad, van mening dat er geen verkeerskundige argumenten zijn voor de aanleg van de Buitenring. Volgens de federatie kan worden volstaan met het oplossen van een aantal knelpunten; zij komt hierop na uitwerking nog terug bij GS.

De heer Steinbusch antwoordt dat in de Tracénota/MER rekening is gehouden met de demografische ontwikkeling van de regio. Verder is de provincie in de kwestie Buitenring steeds heel open geweest naar de Milieufederatie. Als de Milieufederatie gereed is met haar studie over de verbetervariant, zou de provincie hierover graag de beschikking krijgen. Spreker stelt het op prijs dat het goede overleg wat in het verleden steeds met de Milieufederatie heeft plaatsgevonden, op dezelfde voet kan worden voortgezet.

Mevrouw Smit merkt op dat de hoeveelheid mobiliteit niet alleen afhankelijk is van demografische ontwikkelingen: meer ouderen betekent niet automatisch minder mobiliteit.

De heer Hanraets geeft aan dat het een kwestie is van intensiteit- en capaciteitsverhoudingen. De Buitenring is nodig om het verkeer van de huidige belaste wegen door woonkernen af te halen (leefbaarheid).

De voorzitter concludeert dat de commissie heeft kennisgenomen van de sonderende nota Buitenring Parkstad Limburg die is voorgelegd aan de Statencommissie Fysiek Domein en van de stand van zaken op dit gebied. De heer Heijnen zal nog aanvullende gegevens m.b.t. een nader onderzoek aan de provincie ter beschikking stellen. Voor het overige is de PCOL positief gestemd over het voorstel. Het verslag van deze bespreking wordt aan GS en de heer Steinbusch doorgezonden, zodat dezen hun voordeel kunnen doen met de opmerkingen vanuit de commissie.

010103-0172


Uitgelicht


Zoeken