Voor plannen, projecten en handelingen die schade kunnen
veroorzaken aan een Natura2000-gebied of een beschermd
natuurmonument is een vergunning vereist in het kader van de
Natuurbeschermingswet 1998. De Provincie is sinds de
inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 op 1 oktober
2005 voor een groot aantal activiteiten, plannen en handelingen
bevoegd gezag geworden. Dat wil zeggen dat de Provincie de
vergunningsaanvragen behandelt voor activiteiten/handelingen die
binnen of dicht bij een beschermd natuurgebied/aangewezen
Natura2000-gebied plaatsvinden.
Vergunningverlening bij activiteiten in en nabij een beschermd
natuurmonument
U moet een vergunning bij Gedeputeerde Staten aanvragen indien aan
de volgende voorwaarden is voldaan: - U wilt bepaalde handelingen
verrichten met betrekking tot (in en nabij) een beschermd
natuurmonument; en - Deze handelingen zijn schadelijk (of kunnen
schadelijk zijn) voor het natuurschoon of de
natuurwetenschappelijke waarde van het gebied, of voor dieren of
planten in het gebied, of ze ontsieren het gebied.
Vergunningverlening bij activiteiten in en nabij een
Natura2000-gebied
Bij Natura2000-gebieden is relevant of er een (significant) effect
kan worden verwacht op de instandhoudingsdoelstellingen van een
gebied. Plannen, projecten en handelingen in de nabijheid van deze
gebieden zijn (mogelijk) ook vergunningsplichtig (externe werking).
Als er effecten optreden in meerdere provincies wordt bij die
provincies ook vergunning gevraagd. In uitzonderlijke gevallen,
veelal grote ingrepen met een breed scala aan gevolgen, moet
vergunning gevraagd worden bij het Rijk.
Het is van groot belang, zeker gezien de ontwikkelingen met
betrekking tot de natuurbescherming, om als initiatiefnemer vooraf
contact op te nemen met de provincie in het zogenaamde vooroverleg.
Door goed vooroverleg te voeren wordt voorkomen dat een aanvraag
wordt ingediend die niet compleet is of onduidelijk. Een
onduidelijke en/of incomplete aanvraag moet eerst worden aangevuld,
waardoor er een vertraging in de formele procedure ontstaat.
Vertraging wordt voorkomen als wél vooroverleg plaatsvindt.
Na het vooroverleg vraagt de initiatiefnemer een vergunning aan bij
de provincie. In alle gevallen heeft de initiatiefnemer de plicht
om de informatie aan te leveren voor de beoordeling van de
aanvraag. De vergunningverlener is er vervolgens aan gehouden te
onderzoeken of er eventueel aanvullende informatie nodig is. De
initiatiefnemer ontvangt een bericht van ontvangst van de aanvraag.
Door de provincie wordt een ontwerpbesluit opgesteld, waarin
rekening is gehouden met een eventueel door de gemeente waarin de
activiteit/handeling plaatsvindt uitgebracht advies. Dit
ontwerpbesluit wordt zes weken voor inspraak ter inzage gelegd.
In het geval er geen insprekers zijn wordt binnen vier weken na de
inspraaktermijn een definitief besluit genomen. In overige gevallen
wordt dat ook nagestreefd, maar deze termijn kan mogelijk wat
langer zijn. Tegen het definitieve besluit is beroep mogelijk bij
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vergunningsbesluiten kunnen worden geraadpleegd op
http://vspl0111/limburg/webeditor/index?page=8&fileid=limburg:1722.
De toezichthouders van de Afdeling Handhaving en Monitoring zien
toe op de naleving van het besluit en op activiteiten die zonder
vergunning plaatsvinden.
Constateert u een illegale handeling in een beschermd gebied, dan
kunt u contact opnemen met de Milieuklachtentelefoon van de
Provincie Limburg, tel. (043) 361 70 70.