Direct naar hoofdmenu / zoekveld

Taken en bevoegdheden

De taken van de toezichthouder


De centrale taak van de financiële toezichthouder is om te werken aan de realisering van het doel van het toezicht.

De toezichthouder verricht hiervoor de volgende activiteiten:


  1. hij volgt de financiële ontwikkeling van een gemeente aan de hand van de gemeentelijke documenten in de budgetcyclus, startend bij de kadernota en eindigend met de jaarstukken;
  2. hij overlegt hierover met de gemeente. Met name hoe een gemeente nieuwe beleidsontwikkelingen financieel vertaalt en dekt, hoe negatieve financiële ontwikkelingen worden opgevangen en hoe een gemeente op risico’s anticipeert, zijn onderwerp van overleg;
  3. eventueel adviseert hij een gemeente hoe zij met deze ontwikkelingen kan omgaan;
  4. tevens kan hij met de gemeente over de ontwikkeling van de financiële functie praten;
  5. bij zijn beoordeling van de ontwikkelingen bij een gemeente betrekt hij zijn kennis van en ervaring met landelijke ontwikkelingen en bij andere gemeenten;
  6. hij beoordeelt de vastgestelde begroting om de toezichtvorm voor het volgende jaar te bepalen;
  7. bij een gemeente met financiële problemen wordt de intensiteit waarmee deze taken worden uitgevoerd, hoger;
  8. de begroting en begrotingswijzigingen van een preventieve gemeente toetst hij om te beoordelen of goedkeuring kan worden verleend;
  9. hij informeert afzonderlijke of alle gemeenten op verschillende manieren over nieuwe ontwikkelingen.

De bevoegdheden van de toezichthouder


De Gemeentewet bevat de basis voor de bevoegdheden van de toezichthouder. In andere wet- en regelgeving zijn ook bevoegdheden aan de financiële toezichthouder gegeven.
De belangrijkste bevoegdheden uit de Gemeentewet zijn:
 

  1. het binnen twee weken na vaststelling ontvangen van de begroting (art. 191), begrotingswijzigingen (192) en jaarstukken (200);
  2. het onder preventief toezicht plaatsen van de begroting en begrotingswijzigingen in een aantal situaties (203);
  3. het goedkeuren van de begroting en begrotingswijzigingen (203) of het onthouden van goedkeuring (206);
  4. het goedkeuringsinstrument aanpassen aan de situatie, toezicht op maat (207);
  5. toestemming geven of weigeren voor het doen van uitgaven bij preventieve gemeenten, voordat de goedkeuring is verleend (208);
  6. zonder toestemming uitgaven laten doen door preventieve gemeenten, voordat de goedkeuring is verleend (208);
  7. bij preventieve gemeenten bepalen dat ook andere besluiten met financiële gevolgen ter kennisname aan de provincie worden gestuurd (211);
  8. binnen twee weken na vaststelling ter kennisname ontvangen van de verordeningen 212, 213 en 213a (214);
  9. te allen tijde een onderzoek naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie van een gemeente kunnen instellen (215);
  10. de jaarrekening vaststellen als de raad dat niet heeft gedaan (201);
  11. verplichte uitgaven op de begroting brengen en dekking aanwijzen als de raad dit weigert (194).

Aanvullend op andere controlemechanismen


Toezicht bestaat naast andere controlemechanismen. Bij de gemeente hebben de raad, de accountant en de rekenkamer(functie) een controlerende functie. Wij wijken van dit rijtje af door onze plaats in een verticale lijn ten opzichte van de gemeente, waardoor wij onafhankelijk, los van de belangenafweging op gemeentelijk niveau een oordeel kunnen vormen. En door het accent te leggen op de begroting en niet op de jaarstukken, waardoor wij zaken eerder kunnen signaleren.

Daarbij hebben wij als toezichthouder ook van de wetgever instrumenten gekregen om in bepaalde situaties in te grijpen in de financiën van een gemeente. Van de andere partijen met een controlerende functie heeft alleen de raad ook die mogelijkheid.

Share |

Uitgelicht


Zoeken